For
Je moet in veel programma’s een variabele bij elke iteratie met een
waarde verhogen.
Voorbeeld: je toont de getallen 1 tot en met 10. Je kan dit uitwerken
met while.
getal = 1
while getal <= 10:
print(getal)
getal += 1
Je kan het korter uitwerken met de for instructie.
for getal in range(1, 11):
print(getal)
Let op: de eindwaarde (het tweede getal) in range() in Python is
altijd exclusief.
Deze wordt dus nooit uitgevoerd.
De iteratie stopt als de variabele de eindwaarde bereikt heeft.
Je kan de instructie range() ook met één getal gebruiken. Je begint
dan automatisch van 0 te tellen.
Voorbeeld: range(20) geeft je een bereik van 0 tot en met 19.
Je kan aan de range() nog een derde waarde meegeven: deze waarde
bepaalt met hoeveel je de variabele verhoogt bij elke iteratie.
Als je de oneven getallen tot 10 wil tonen, verhoog je het getal
telkens met 2:
for getal in range(1, 11, 2):
print(getal)
Je kan ook het getal bij 10 starten en telkens met 1 verminderen om de getallen omgekeerd te tonen.
for getal in range(10, 0, -1):
print(getal)
Je kan hiervoor ook de instructie reversed() gebruiken:
for getal in reversed(range(1, 11)):
print(getal)
Je kan binnen een for instructie een if instructie nesten.
Je kan binnen een for instructie een while instructie nesten.
Je kan ook binnen een if een for nesten en daarin een while,
etc…
Tafel.
Som even.
Vijf getallen.
Termijnrekening.
Rechthoek tekenen.
Kader tekenen.
Driehoek tekenen.