proglog

Een inleiding tot programmatielogica met Python

View on GitHub

Parameter

Je opent het bestand evenoneven.py.
De functie is niet flexibel: ze kan enkel van de variabele getal zeggen of het even of oneven is.
Je voegt in het hoofdprogramma volgende regel toe:

...
getal = int(input("Getal: "))
tweedeGetal = int(input("Tweede getal: "))
evenOneven()

Je kan de functie niet oproepen om te zeggen of dit tweede getal even of oneven is.
De oplossing: aan de functie een parameter toevoegen.
Een parameter is een waarde (string, getal, …) die je meegeeft bij de oproep van de functie.
Je kan bij elke oproep een andere waarde meegeven als parameter.
Je kan in de functie de waarde lezen en er berekeningen mee doen.
Je voegt een parameter toe aan de functie evenOneven():

def evenOneven(eenGetal):
    if eenGetal % 2 == 0:
        print("Even")
        ...

Telkens je de functie oproept moet je een waarde meegeven voor de parameter eenGetal. Je wijzigt het hoofdprogramma:

...
tweedeGetal = int(input("Tweede getal: "))
evenOneven(getal)    
evenOneven(tweedeGetal)

Je vermeldt bij de eerste oproep de variabele getal als parameter.
Je programma roept de functie op.
Je programma vult de parameter eenGetal met de waarde in de variabele getal.
Als de variabele getal 10 bevat, bevat de parameter eenGetal ook de waarde 10.
De code in de functie toont de tekst Even.
Bij de tweede oproep vermeld je de variabele tweedeGetal.
Bij het uitvoeren bevat de parameter eenGetal de waarde van de variabele tweedeGetal.
Je kan, naast variabelen, ook waarden als parameter gebruiken. Je voegt volgende regel toe aan je programma:

...
evenOneven(tweedeGetal)
evenOneven(3)

Je bewaart en test het programma.

Meerdere parameters

Een functie kan meerdere parameters hebben. Het type van de parameters kan verschillen.
Voorbeeld: Je maakt een procedure die een lijn tekent.
De eerste parameter is het teken waarmee je de lijn tekent.
De tweede parameter is het aantal tekens in de lijn.
Je maakt het bestand tekenlijn.py:

def tekenLijn(teken, aantal):
    lijn = ""
    for i in range(1, aantal + 1):
        lijn += teken
    print(lijn)


tekenLijn("=", 5)
tekenLijn("-", 10)

Je begint met de lege string lijn.
Je voegt, met een for, aantal keer teken aan lijn toe.
Daarna toon je lijn op het scherm.
Je bewaart en voert uit.

image Tussen
image Machtsverheffing

⏪ Functies ⏫ Index Functies met return ⏩